Opinie: Hoe klimaatmaatregelen en sociale doelstellingen wél met elkaar te verzoenen zijn

14.03.2019

Het klimaatvraagstuk is in essentie een verdelingsvraagstuk, vindt Sacha Dierckx, verbonden aan denktank Minerva. Naar wie gaan de opbrengsten en wie draagt de kosten? Hij legt uit hoe een doortastend klimaatbeleid tot een meer gelijke maatschappij kan leiden.

 

De gele hesjes maakten al duidelijk dat het klimaatvraagstuk ook een verdelingsvraagstuk is. Naar wie gaan de opbrengsten, en wie draagt de kosten? Een belangrijke les van de gele hesjes is dat de ecologische transitie moet samengaan met een uitgesproken sociale dimensie. Enkel zo kan een breed draagvlak gecreëerd worden voor die transitie.

 

Met de discussies tussen Groen en SP.A over het al dan niet verlagen van de btw op elektriciteit wordt de link tussen klimaat en ongelijkheid nog meer in de verf gezet. Het spijtige is dat er een “framing” ontstaat, aangedikt vanuit N-VA, dat de ecologische transitie onverzoenbaar is met sociale doelstellingen.

 

Nochtans kunnen progressieve partijen, die zowel inzetten op een doortastend klimaatbeleid als op een meer gelijke maatschappij, het klimaatdebat aangrijpen om de discussie te verbreden. Hoe kunnen we ecologische en sociale doelstellingen verzoenen? Er bestaat een hele waaier aan mogelijkheden.

 

Een sociaalecologisch project

 

Ten eerste kan het klimaatbeleid rechtstreeks ten goede komen aan de onderkant van de samenleving, via investeringen die zowel goed zijn voor het klimaat als voor de lagere inkomens. Een goed voorbeeld is overheidsinvesteringen in nieuwe energiezuinige sociale woningen, of in het energiezuinig maken van bestaande woningen. De isolatieplannen van Groen en SP.A zijn daarvoor een goede aanzet.

 

Overheidsinvesteringen zoals nieuwe energiezuinige sociale woningen kunnen rechtstreeks ten goede komen aan de onderkant van de samenleving

 

Bij directe overheidsinvesteringen is het in elk geval gemakkelijker om het mattheuseffect (bij het mattheuseffect zullen de rijken nog rijker worden en de armen nog armer, red.) te vermijden dat zich al voordeed bij het subsidiestelsel voor energiezuinige renovaties, en dat zich ook zou voordoen bij een verlaging van de btw op nieuwbouw naar 6%.

 

Ook investeringen in openbaar vervoer zijn sociaal en ecologisch. Uit onderzoek in het buitenland blijkt dat lagere inkomens meer het openbaar vervoer gebruiken, vooral de bus. In België geven lageropgeleiden dan ook meer prioriteit aan investeringen in het openbaar vervoer.

Er kan ook gedacht worden aan investeringen in hernieuwbare energie (en warmtenetten) via overheidsbedrijven, stedelijk of nationaal. Dat heeft drie voordelen. De winsten vloeien niet weg naar privéaandeelhouders; het klimaateffect van rechtstreekse investeringen is zekerder dan dat van subsidies; en het vermijdt het Mattheuseffect dat gepaard ging met de subsidies voor zonnepanelen.

 

In de ideale situatie worden de overheidsinvesteringen (gedeeltelijk of volledig) gefinancierd door de Europese Centrale Bank via “groene geldcreatie”, zodat er geen rentebetalingen verschuldigd zijn (die in de regel ten goede komen aan de grote vermogens).

 

Er kan nagedacht worden over klimaatmaatregelen waarbij hogere inkomens de grootste kosten dragen, zoals een vliegbelasting

 

Ten tweede kan nagedacht worden over klimaatmaatregelen die niet rechtstreeks ten goede komen aan lagere inkomens, maar waarbij hogere inkomens wel de grootste kosten dragen.

 

Het beste voorbeeld is het vliegverkeer. Volgens onderzoek is een vliegbelasting de enige groene belasting die duidelijk progressief is, omdat hogere inkomens meer vliegen. Een kerosinetaks en het heffen van btw op vliegtickets is dan ook een goed begin. Wie zo’n vliegtaks nog progressiever wil maken, kan denken aan een belasting voor mensen die regelmatig vliegen.

 

De ongelijkheid in het algemeen moet teruggedrongen worden door een progressief belastingstelsel, een sterkere sociale zekerheid, de loonongelijkheid niet te laten toenemen en goedkopere openbare diensten

 

Ook moet ervoor gezorgd worden dat de industrie de ecologische transitie mee financiert. Dat gebeurt nu een klein beetje via het Europese ETS-systeem – vergelijkbaar met een CO2-belasting – maar dat systeem kent grote mankementen. We kunnen het alvast wat socialer maken door minder gratis uitstootrechten uit te delen aan de industrie dan nu, door de prijs van een ton CO2 te verhogen, en door te stoppen een deel van de opbrengsten terug te storten aan grote vervuilers. Een CO2-grensbelasting kan het argument van competitiviteit daarbij neutraliseren.

Ten derde kan de ongelijkheid in het algemeen teruggedrongen worden, zodat de verdelingseffecten van het klimaatbeleid minder belangrijk worden. We kunnen het belastingstelsel progressiever maken met hogere bijdrages voor vermogens en inkomsten uit kapitaal. De sociale zekerheid moet versterkt worden. De loonongelijkheid mag zeker niet toenemen. En we kunnen de openbare diensten goedkoper of gratis maken, zodat een kleiner deel van het inkomen van de laagste inkomens daarheen gaat.

 

Werknemers en vakbonden moeten proactief kijken hoe jobs in vervuilende sectoren vervangen kunnen worden door werkbare jobs in ecologische, maatschappelijk nuttige productie

 

Belangrijk hierbij is aandacht voor werknemers en gemeenschappen die getroffen worden door de ecologische overgang. Een zogenaamde “rechtvaardige transitie” houdt niet alleen in dat er voldoende sociale bescherming en opleiding voorzien wordt voor werknemers, maar ook dat er in nauwe samenwerking met werknemers en vakbonden proactief gekeken wordt hoe jobs in vervuilende sectoren vervangen kunnen worden door werkbare jobs in ecologische, maatschappelijk nuttige productie.

 

Ten vierde kan er nagedacht worden over compensaties voor de laagste inkomens. De opbrengsten van een algemene CO2-belasting kunnen bijvoorbeeld worden uitgekeerd onder de vorm van een vast bedrag per huishouden. Aangezien dat bedrag voor de laagste inkomens hoger zal uitvallen dan wat ze betalen via een CO2-belasting (in tegenstelling tot voor de hogere inkomens), gaat zo’n zogenaamd ‘taks-en-dividend’ tegelijkertijd de klimaatontwrichting en de ongelijkheid tegen.

 

Compensaties voor de laagste lonen kunnen door de opbrengsten van een algemene CO2- belasting uit te keren onder de vorm van een vast bedrag per huishouden

 

Meer levenskwaliteit

 

Een belangrijke kanttekening is dat niet elke maatregel op zich herverdelend moet zijn. Rekeningrijden of hogere accijnzen op benzine en diesel kunnen best goede maatregelen zijn. Een hogere prijs voor (runds)vlees en zuivel kan een stimulans zijn voor een klimaatvriendelijker voedingspatroon. Om te zorgen dat het draagvlak voor klimaatbeleid niet afkalft, moeten die maatregelen echter vergezeld gaan van meer herverdeling en van goede alternatieven.

 

Tot slot: de opbrengsten en kosten waarover nu gesproken wordt, zijn vooral materieel. Het gaat dan over koopkracht, belastingen, en prijzen. Belangrijk is dat er ook niet-materiële opbrengsten kunnen zijn: meer zekerheid, meer welzijn, meer vrije tijd, een betere gezondheid.

 

Belangrijk is ook dat vakbonden en progressieve partijen de focus wat verleggen van koopkracht naar levenskwaliteit

 

In die zin zou ik hopen dat vakbonden en progressieve partijen de focus toch ook wat verleggen van koopkracht naar levenskwaliteit. Misschien wordt dat in de toekomst nog wel de belangrijkste opdracht voor een sociaalecologisch project.

 

Bron: www.vrt.be